Zeven op de tien Britten zeggen minder vlees en zuivel te willen eten als hun land daarmee minder kwetsbaar wordt voor voedseltekorten. Dat blijkt uit een peiling die de Britse Vegan Society deze maand liet uitvoeren. Het is een opvallend getal, want het verbindt plantaardig eten niet met dierenwelzijn of klimaat, maar met iets wat iedereen raakt: of er straks genoeg in de schappen ligt. Hoe zou dat in Nederland uitpakken? En wat zie je daarvan terug in de supermarkt?

Wat de Britse peiling meet

Het onderzoeksbureau Attest ondervroeg in oktober 2026 2.000 volwassenen, een representatieve steekproef van de Britse bevolking. Plant Based News zette de uitkomsten op 25 oktober op een rij. Van de ondervraagden maakt 72 procent zich enige of grote zorgen over de voedselzekerheid in het Verenigd Koninkrijk. 69 procent staat open voor minder vlees en zuivel om het voedselsysteem steviger te maken, 51 procent steunt beleid dat de omschakeling van veehouderij naar plantaardige eiwitten helpt, en 82 procent vindt een duurzame voedselvoorziening een topprioriteit voor de regering.

De peiling hoort bij een onderzoeksrapport van de Vegan Society over de vraag hoe plantaardig eten de voedselzekerheid kan versterken. De redenering daarin is dat veel akkerland en eetbare gewassen nu naar dieren gaan. Als je die gewassen direct aan mensen geeft, haal je meer voedsel van dezelfde grond. De organisatie wijst er ook op dat de veehouderij leunt op geïmporteerd veevoer en kunstmest, en dat die afhankelijkheid zich dit jaar heeft laten voelen.

Bereidheid is nog geen gedrag

Het is goed om twee dingen in het achterhoofd te houden. Ten eerste komt de peiling van een organisatie die zelf voor plantaardig eten pleit. Dat maakt de cijfers niet onwaar, maar de vraagstelling kan sturen. De Vegan Society zegt zelf dat mensen zo antwoorden zodra ze de feiten kennen. Ten tweede meet zo’n peiling bereidheid. Wie zegt open te staan voor minder vlees, koopt daarom nog niet anders.

Die kloof tussen willen en doen is in Nederland goed gemeten, en dat maakt de vergelijking interessant. We hebben geen Nederlandse versie van deze peiling, wel harde verkoopcijfers.

Hoe Nederland ervoor staat

Nederland is volgens de Green Protein Alliance en ProVeg Nederland het enige land ter wereld waar de hele supermarktbranche doelen heeft gesteld voor de verhouding tussen dierlijk en plantaardig eiwit, en daar jaarlijks over rapporteert. In hun Eiweet-meting over 2025, gepubliceerd in maart 2026, kwam het aandeel plantaardig eiwit in de verkoop uit op 42,6 procent. In 2024 was dat 42,7 procent en in 2023 40,9 procent. Na eerdere groei is het aandeel dus licht gedaald. Het tussendoel van de supermarkten, 50 procent plantaardig in 2025, is niet gehaald. Het einddoel is 60 procent in 2030.

Wageningen University & Research ziet hetzelfde patroon aan de kant van het bord. In de Eiwitmonitor 2024 bestond 38 procent van het online supermarktaanbod uit plantaardige eiwitproducten, tegen 32 procent een jaar eerder. Toch aten Nederlanders maar een procentpunt meer plantaardig eiwit. Van onze eiwitten komt nu 60 procent uit dierlijke bronnen en 40 procent uit plantaardige.

Het aanbod groeit dus sneller dan de consumptie. Precies dat is het verschil tussen een peiling en de kassabon. Als 69 procent van de Nederlanders hetzelfde zou antwoorden als de Britten, en dat is goed denkbaar, laat de verkoop zien hoe weinig van die bereidheid tot nu toe in de boodschappenkar belandt.

Wat dat in de supermarkt verandert

Opvallend in het Eiweet-rapport is waar de verschuiving wel zit. Het aandeel puur dierlijke producten daalde met 2,9 procent, maar dat kwam grotendeels terecht bij combiproducten: vleeswaren, smeersalades of snacks waarin een deel van het dierlijk eiwit is vervangen door plantaardig. Volgens de makers komt dat deels door betere data bij de supermarkten. De echte plantaardige basis, peulvruchten, noten en vleesvervangers, nam juist iets af. Supermarkten zetten dus vooral in op hybride producten, waarmee je minder vlees eet zonder dat je het merkt.

Voor wie bewust boodschappen doet, betekent dat iets heel praktisch. De grootste stap zit niet in de nieuwste vleesvervanger, maar in de schappen die al jaren bestaan: bonen, linzen, kikkererwten en noten. Die zijn houdbaar, kosten weinig en vormen ook de kern van een plantaardige noodvoorraad. Dat sluit mooi aan bij de Britse redenering over voedselzekerheid, want een voorraadkast vol peulvruchten is minder afhankelijk van veevoer uit het buitenland.

Ook buiten de supermarkt beweegt er iets. Eerder schreven we dat alle universiteiten en de helft van de mbo’s kiezen voor meer plantaardig in de kantine. En wie zich afvraagt hoe robuust de schappen zelf zijn, vindt in ons stuk over lege schappen en voedselzekerheid de andere kant van het verhaal.

De Britse peiling zegt vooral iets over het argument. Voedselzekerheid is een reden om minder vlees te eten die ook mensen aanspreekt die niets met het woord vegan hebben. De Nederlandse cijfers laten zien dat zo’n argument pas gewicht krijgt als het makkelijker wordt om er in de winkel naar te handelen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You May Also Like