Er staat een getal in een nieuw Zwitsers onderzoek dat blijft hangen, en het is niet het getal over vlees. Peulvruchten komen in het Zwitserse eetpatroon uit op vier procent van wat er wordt aanbevolen. Vier. Dat is geen tekort meer, dat is een productgroep die in de praktijk gewoon ontbreekt. En voor je denkt dat dit een Zwitsers probleem is, de Nederlandse cijfers liggen in dezelfde hoek.
Wat er in Zwitserland is gemeten
Het gaat om een studie in het tijdschrift BMC Global and Public Health van augustus 2026, waarover Plant Based News berichtte. Onderzoekers legden de eetgegevens van 2.057 Zwitserse volwassenen tussen de 16 en 75 jaar, verzameld in de nationale voedingspeiling menuCH, naast de aanbevelingen van het zogeheten planetary health diet van de EAT-Lancet-commissie.
De uitkomst is scheef in twee richtingen tegelijk. Vlees zonder gevogelte meegerekend komt uit op 850 procent van de aanbevolen hoeveelheid, zuivel op 363 procent. Aan de andere kant staan peulvruchten op vier procent en onverzadigde olien op 39 procent. Opvallend genoeg zitten twee groepen vrijwel precies goed, want granen komen op 96 procent uit en vis en zeevruchten op 103 procent. Vrouwen bleven dichter bij de aanbevelingen dan mannen.
Let op hoe je dat eerste getal leest. Achthonderdvijftig procent is niet achthonderdvijftig procent te veel, het is achthonderdvijftig procent van de norm, dus ruim acht keer zoveel als aanbevolen. Dat is nog steeds fors, maar het scheelt in hoe je het navertelt, en op sociale media gaat dat verschil steevast verloren.
Waarom je die percentages niet zomaar op je eigen bord legt
Het planetary health diet is geen nationale voedingsrichtlijn maar een wereldwijd rekenmodel, opgesteld om te kijken hoeveel voedsel er binnen de grenzen van de planeet past en wat er gezond aan is. De aanbevolen hoeveelheid vlees ligt daarin veel lager dan in de meeste nationale adviezen. Zet je de Nederlandse Schijf van Vijf ernaast, dan kom je op andere percentages uit, simpelweg omdat de meetlat anders is. Wie de Zwitserse cijfers een op een op Nederland plakt, meet dus twee dingen door elkaar.
Waar de vergelijking wel opgaat is bij de richting. In beide landen zit het probleem niet zozeer in wat er te veel op het bord ligt, maar in wat er structureel naast ligt. En daar komt ook het Nederlandse advies tot dezelfde conclusie, zoals eerder bleek bij de nieuwe eiwitrichtlijnen.
Hoe Nederland ervoor staat
De Voedselconsumptiepeiling van het RIVM geeft een pijnlijk helder beeld. Volwassenen in Nederland eten gemiddeld zeven gram peulvruchten per dag, bij mannen negen gram en bij vrouwen vijf. Belangrijker nog is hoe die gemiddelden tot stand komen, want peulvruchten staan ongeveer twee dagen per maand op het menu. Het is dus geen kwestie van iets te weinig nemen, het is een kwestie van er bijna nooit aan denken.
Daar tegenover staat het advies van het Voedingscentrum, dat uitkomt op 250 gram bereide peulvruchten per week voor wie vlees eet en 430 gram voor vegetariers. Zeven gram per dag is negenenveertig gram per week. Dat is ongeveer een vijfde van wat er voor een vleeseter zou moeten liggen, en ruim een tiende van wat een vegetarier nodig heeft. Het gat is met andere woorden geen nuance, het is het overgrote deel.
Zoveel bonen moeten erbij
Het mooie aan dit specifieke tekort is dat het het makkelijkst te dichten tekort in de hele voeding is. Een standaardblik peulvruchten uit de supermarkt levert uitgelekt ongeveer een kwart kilo op. Eet je vlees, dan haal je de weekaanbeveling dus in de praktijk met een enkel blik kikkererwten, bruine bonen of linzen, mits je dat blik ook echt opmaakt en niet halverwege in de koelkast laat staan. Ben je vegetarier, dan zijn het er bijna twee.
Dat is behapbaarder dan het klinkt, want je hoeft er geen bonenweek van te maken. Twee gerechten per week waarin peulvruchten de hoofdrol pakken is genoeg, en dat hoeft niet eens een vegaschotel te zijn. Linzen door een tomatensaus, kikkererwten in de ovenschaal bij de groenten, witte bonen door een soep die je toch al maakte. Ik merk zelf dat het staat of valt met de voorraad, want wat niet in de kast staat komt niet op tafel.
De keuze tussen blik en droge bonen maakt voor dit doel minder uit dan mensen denken, al zit er wel verschil in smaak, tijd en prijs, waarover we eerder uitgebreid schreven. Wat vooral opvalt is dat Nederlanders de laatste jaren juist vaker naar bonen en tofu grijpen dan naar kant-en-klare vleesvervangers. Die beweging is er dus al, alleen nog lang niet in het tempo dat de cijfers vragen.
Blijft over de nuchtere kanttekening die bij elk onderzoek als dit hoort. De Zwitserse gegevens komen uit een peiling van 2014 en 2015, dus ze beschrijven de situatie van ruim tien jaar geleden en niet het bord van vandaag. Wat de studie wel laat zien is welke productgroep als eerste wegvalt zodra mensen hun eigen eetpatroon samenstellen. Dat is niet de groente en het is niet het brood. Het zijn de bonen.