Nederland telde begin 2026 ruim 19.400 fastfoodzaken. Twintig jaar eerder, in 2007, waren dat er 10.325. Dat is een stijging van 88 procent, en daarmee zijn er inmiddels iets meer fastfoodzaken dan gewone restaurants, waarvan er zo’n 19.200 zijn. Culy zette de nieuwe CBS-cijfers op een rij, en het is een van die statistieken die je pas echt ziet als je er eenmaal van weet.

Want daarna loop je door je eigen straat en tel je mee. De broodjeszaak op de hoek, de shoarmatent, de ijssalon, de poké-bar die er vorig jaar bij kwam. Voor wie plantaardig eet is dat geen abstract cijfer maar de dagelijkse werkelijkheid van wat er te kiezen valt als je onderweg trek krijgt.

Wat het CBS fastfood noemt

Eerst even de nuance, want die is nodig. Bij fastfood denk je aan hamburgers en grote Amerikaanse ketens, maar het CBS hanteert een veel bredere definitie. Onder de categorie vallen ook snackbars, lunchrooms, broodjeszaken, eetkramen en ijssalons. Er zijn dus geen negenduizend hamburgerrestaurants bijgekomen sinds 2007.

Wat er wel is gebeurd, is dat het aanbod van snel verkrijgbaar eten flink is gegroeid. In totaal telt Nederland inmiddels ongeveer 38.600 eetgelegenheden, waarvan iets meer dan de helft in die brede fastfoodcategorie valt. De lunchroom die je zelf misschien niet als fastfood ziet, telt daarin gewoon mee.

Waar de dichtheid het hoogst is

De cijfers laten ook zien waar het zich ophoopt. Amsterdam heeft 1,7 fastfoodzaken per duizend inwoners, en op de Waddeneilanden en in verschillende kustgemeenten ligt dat aantal per inwoner nog hoger. Dat is logisch, want toeristen eten buiten de deur en ze eten snel, maar het tekent wel hoe ongelijk het aanbod verdeeld is.

Precies die verdeling is waar de discussie de laatste jaren over gaat. Niet over de vraag of een broodje kroket mag, maar over de vraag hoe een buurt eruitziet waarin elke tweede winkelpand iets snels verkoopt.

De omgeving weegt zwaarder dan de wilskracht

Tegelijk speelt er een andere ontwikkeling. In 2023 had 51 procent van de Nederlandse volwassenen matig of ernstig overgewicht. Het RIVM verwacht dat dit zonder veranderingen kan oplopen tot 64 procent in 2050, met de sterkste stijging onder jongvolwassenen.

Die twee cijfers naast elkaar zetten is verleidelijk, maar zo simpel is het niet. Lichaamsgewicht hangt samen met inkomen, beweging, stress, aanleg en de bredere leefomgeving, en niet elke nieuwe snackbar maakt een wijk zwaarder. Wat wel steeds meer aandacht krijgt, is dat laatste punt. Als calorierijk eten overal goedkoop en binnen handbereik ligt, terwijl de gezondere keuze meer tijd, geld of voorbereiding vraagt, dan wordt goed eten simpelweg moeilijker werk.

Dat is ook precies wat we hier eerder beschreven toen we keken naar waarom plantaardig eten zo vaak strandt in week zes. Niet omdat mensen het niet willen, maar omdat het systeem eromheen niet meewerkt zodra de eerste week enthousiasme voorbij is.

Wat dit betekent als je plantaardig eet

Aan de ene kant is er in twintig jaar veel gewonnen. De vegetarische frikandel ligt in heel wat snackbars, de grote ketens hebben allemaal wel een plantaardige burger op de kaart en bij de broodjeszaak is hummus geen bijzonderheid meer. Waar je vijftien jaar geleden bij een wegrestaurant op een zak chips uitkwam, kun je nu bijna overal iets vinden.

Aan de andere kant moet je eerlijk blijven over wat dat iets is. Een plantaardige burger met friet blijft een plantaardige burger met friet. De reden dat fastfood fastfood is, zit niet in het dier maar in de combinatie van zout, vet, snelle koolhydraten en een portie die groter is dan je nodig hebt. Een vegan variant verandert de klimaatrekening, niet het bord. Wie daar wel eens op is uitgegleden, herkent de vraag die we jaren geleden al stelden over de salade bij McDonald’s, waar het antwoord vooral in de dressing bleek te zitten.

Mijn eigen maatstaf onderweg is daarom niet of iets plantaardig is, maar of er een groente in zit die je kunt aanwijzen. Een falafelbroodje met salade en een bakje hummus haalt die lat. Een vegan kaassoufflé niet, hoe lekker die ook is.

Komt er een snackwet

Er wordt gewerkt aan wetgeving die gemeenten meer mogelijkheden moet geven om nieuwe aanbieders van vooral ongezond voedsel te weren, bijvoorbeeld rond scholen of in wijken waar het aanbod al groot is. In de wandelgangen heet dat de snackwet. Het wetsvoorstel is nog in de maak bij de landelijke overheid, met als lijn dat gemeenten vooral op plekken waar veel kinderen en jongeren komen juridische middelen krijgen.

Of minder snackbars ook echt minder overgewicht oplevert, is een veel ingewikkeldere vraag dan het klinkt, en die is met deze cijfers niet beantwoord. Wat de cijfers wel laten zien, is dat de keuze om iets snels te eten in twintig jaar tijd bijna twee keer zo makkelijk te maken is geworden.

Ondertussen zet de Beroepsvereniging Gewichtsconsulenten Nederland op 1 oktober 2026 opnieuw de Dag van de Gewichtsconsulent in om aandacht te vragen voor de invloed van de voedselomgeving. Dat is een kleine actie tegenover negenduizend nieuwe verkooppunten, maar het onderwerp staat er in elk geval mee op tafel.

Voor thuis blijft de conclusie onveranderlijk saai en onveranderlijk waar. De goedkoopste en makkelijkste manier om niet afhankelijk te zijn van wat er toevallig op de hoek zit, is een pan bonen en een bak restjes in de koelkast. Niet omdat fastfood verboden zou moeten worden, maar omdat een lege koelkast om zes uur ’s avonds je keuze uit handen neemt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You May Also Like